Drugsbeleid in Nederland
| Videos |
Het Drugsbeleid in Nederland is gebaseerd op 2 principes:
  • Drugsgebruik is een kwestie voor de algemene gezondheid, geen criminele kwestie

  • Er is een verschil tussen harddrugs en softdrugs
Het Nederlands drugsbeleid is een pragmatisch beleid. Dit komt er op neer dat in geval van een probleem dat onoplosbaar lijkt, zoals het drugsprobleem, het beter is het onder controle te houden dan te trachten het met allerlei wetten in te dammen, vaak met tegengestelde resultaten. Ter vergelijking, de meeste andere landen zien drugsgebruik enkel als schadelijk voor de maatschappij en willen het daarom uitbannen, zelfs wanneer zulk beleid in de praktijk blijkt te falen.
Dit heeft nogal eens voor onenigheid gezorgd met andere landen, voornamelijk Frankrijk en Duitsland.
Sinds 2004 gaat het beleid in België meer de kant op van het Nederlandse model, en ook enkele Duitse wetgevers dringen er op aan om te experimenteren op basis van het Nederlandse model. Zwitserland heeft lange verhitte parlementaire debatten gevoerd over het volgen van het Nederlandse model, maar heeft uiteindelijk tegengestemd in 2004; op het moment wordt er weer gesproken over een petitie aangaande het beleid.
Gedoogbeleid
In het kort houdt het gedoogbeleid in dat het gebruik van softdrugs niet verboden is, ware het onder gecontroleerde omstandigheden. Voor het gebruik van softdrugs geldt een minimumleeftijd van 18 jaar, en op het vergeven van softdrugs aan minderjarigen staan zware straffen. Alle handelingen met betrekking tot deze drug zijn strafbaar, met uitzondering van het gebruik ervan. Hoewel het strafbaar is, wordt het bezit van maximaal 5 gram cannabis of 5 hennepplanten niet strafrechtelijk vervolgd. De drugs kunnen echter wel in beslag worden genomen. Coffeeshops moeten zich houden aan bepaalde criteria, zo wordt de verkoop van maximaal vijf gram hasj of marihuana per transactie niet gericht opgespoord. Hoewel gebruik van deze drug in het algemeen gedoogd wordt, kan in de Algemene Plaatselijke Verordening anders zijn aangegeven.
Geschiedenis van het gedoogbeleid
In de voorgeschiedenis van het gedoogbeleid werd in de 17e eeuw door de Vereenigde Oostindische Compagnie opium betrokken uit de Bengalen. In 1745 werd de Amfioensociëteit opgericht die tot doel had de handel in opium te reguleren. Vanaf de 19e eeuw tot aan 1942 ging de invoer, bereiding en distributie van opium in Nederlands-Indië door de Nederlandse Staat via de zogeheten opiumregie. De Nederlandsche Cocaïnefabriek was in de eerste decennia van de 20e eeuw een groot producent van onder meer cocaïne. De Opiumwet treedt in 1919 in werking die nadien meermaals is gewijzigd, onder meer in 1976 toen er onderscheid in kwam tussen soft- en harddrugs.

Het drugsgedoogbeleid ontstond rond 1970 als experiment en heeft altijd onder druk en kritiek gestaan van het buitenland. Aanvankelijk werd er weinig onderscheid gemaakt tussen de bestrijding van hard- en softdrugs. Dit leidde tot openlijke handel van harddrugs, onder andere op de Zeedijk (Amsterdam) en rond de Dam. De Leidsesluisbrug stond bekend als de Pillenbrug. Een kentering in het gedoogbeleid werd in de loop van de jaren '80 duidelijk zichtbaar met schoonveegacties van de Zeedijk en later Perron 0. Vanaf 1992 werden coffeshops gehouden aan de zogenaamde AHOJ-regelgeving, daarop streng gecontroleerd en bij overtreding gesloten. Het aantal coffeeshops daalt sindsdien gaandeweg door. Vanaf ongeveer 2002 worden nederwietplantages die vanaf de jaren '80 en '90 ook overdekt in woonhuizen in grote steden werden opgericht, intensiever door de politie opgespoord met behulp van helikopters met infraroodcamera's. De eigenaren van de plantages worden zwaar bestraft en uit hun huis gezet als zij daar kweekten. Vanaf 2009 zet de politie de onbemande cannachopper in om plantages op te sporen. In 2006 werd in Amsterdam een blowverbodsbord geplaatst en ook in sommige gemeenten is blowen in het openbaar inmiddels verboden.
Legalisatie debat
Commissie van de Donk
Op 2 juli 2009 presenteerde de Adviescommissie Drugsbeleid in opdracht van het kabinet haar visie op het Nederlands gedoogbeleid. De “commissie van de Donk” stelt dat het gedogen van softdrugs op de schop moet. Het rapport “Geen deuren maar daden” bepleit dat gedogen van softdrugs moet stoppen. De keuze ligt op meer optreden tegen illegaliteit en meer reguleren, maar het duidelijker op lokaal regelen van de verkoop (legaliseren).

Allereerst dient het onderscheid tussen hard en softdrugs te verdwijnen. Ten tweede streeft de adviesgroep naar kleinschalige of zelfs besloten coffeeshop, waarbij het gebruik gereguleerd wordt. Verder dient er een aanscherping te komen in het optreden tegen illegale drugshandel (‘war on drugs’). Als laatste punt moet er meer aandacht naar jongeren gaan, een punt dat wordt ondersteund door uitvoerig onderzoek van het Trimbos Instituut (2009. Het kabinet presenteert binnenkort haar maatregelen met betrekking tot het softdrugsbeleid.

Ten opzichte van het eerste punt van onderscheid tussen hard en softdrugs is uit onderzoek van het RIVM CAM (2008) “Risicoschattingsrapport cannabis” - in tegenstelling tot Van de Donk’s advies - gebleken dat dit onderscheid nuttig is en dat cannabis niet in een risicogroep valt zoals de harddrugs. Het tweede standpunt van besloten coffeeshop dient om drugstouristen tegen te houden, wat in de praktijk zal leiden tot illegale straathandel (dit is ook na het stoppen te gedogen van paddo’s gebeurd). Het derde aanpakadvies van war on drugs is een bekend politiek-geblindstaat fenomeen. Ideaal gezien is de consumptie vanuit maatschappelijk oogpunt nul, en dus is gedogen geen optie. Echter, het is efficiënter om niet te kiezen voor een verbod maar voor reguleren, en daar is de commissie onduidelijk over. Het rapport stelt dat gemeenten het recht krijgen de achterdeur van de coffeeshop (de aanvoer of teelt) te reguleren. Er is dus ruimte voor experimenten van gelegaliseerde softdrugsteelt door gemeenten in samenwerking met besloten coffeeshops. Dit model biedt eventueel ruimte voor beleidsmaatregelen voor stapsgewijs legaliseren van softdrugs
Brede Heroverwegingen
Op 1 april 2010 is door het Ministerie van Financien berekend wat de gevolgen zijn van het legaliseren van softdrugs. In de Brede Heroverwegingen door de Studiegroep Begrotingsruimte (p.38) wordt gezegd:

Al lange tijd is er discussie over de softdrugs, waarin sommigen pleiten voor het uit het strafrecht halen daarvan (decriminaliseren) en andere voor het uitbreiden van het gedogen tot de teelt van cannabis ten behoeve van de aanvoer (‘aan de achterdeur’) van de coffeeshops.
Dergelijke maatregelen zouden ontlastend werken voor politie en justitie, waar nu m€ 160 toe te rekenen is aan de aanpak van softdrugs criminaliteit.
Decriminalisering zou dit bedrag besparen, bovendien biedt het de mogelijkheid om door belastingheffing extra inkomsten te genereren (mogelijk m€ 260).


In reactie hierop schreven in mei 2010 Frits Bolkenstein, Els Borst, Theo de Roos, Margreeth de Boer, Hedy d'Ancona, Raimond Dufour, Mario Lap en Harry van den Haak een brandbrief in het NRC Handelsblad om over te gaan op legaliseren, mede om de criminaliteit een halt toe te roepen. Ook de PvdA stemde in de Tweede Kamer voor om af te stappen van het gedoogbeleid. In oktober 2010 blijkt uit een andere doorberekening dat het legaliseren van softdrugs tot maximaal 850 miljoen per jaar kan opleveren.In reactie hierop zal door Stichting Drugsbeleid een petitie worden ingediend dit najaar.
Opiumwet
De Opiumwet (Opw) is een Nederlandse wet uit 1919, die sindsdien vele malen is gewijzigd. In deze wet wordt onderscheid gemaakt in harddrugs en softdrugs.

In beide gevallen is het in beginsel verboden om middelen die op de lijst staan:
  • binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen (smokkelen);
  • te telen, te bereiden, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren;
  • aanwezig te hebben (het bezit);
  • te vervaardigen.
In bepaalde gevallen is er ontheffing mogelijk, bijvoorbeeld voor medicinaal gebruik. Op grond van een uitzondering in de opiumwet mogen apotheken bepaalde stoffen in bezit hebben, zij worden echter verplicht deze stoffen correct op te bergen en een zeer nauwkeurige administratie bij te houden. In de praktijk worden verder coffeeshops in bepaalde gevallen gedoogd, maar dit staat niet in de wet. Het gedoogbeleid wordt geregeld in de instructie van het Openbaar Ministerie, de zogeheten 'Richtlijnen voor het opsporings- en strafvorderingsbeleid inzake strafbare feiten van de Opiumwet'. De Opiumwet zelf is met slechts 15 artikelen tamelijk beknopt.

De hoogste straf op een delict uit de Opiumwet is twaalf jaar gevangenisstraf, voor drugssmokkel.

De lijsten kunnen bij Algemene Maatregel van Bestuur worden gewijzigd, na voorlegging aan de beide Kamers. Elk van de Kamers kan bepalen dat de wijziging geregeld dient te worden bij wet.

Robert Savignac pour PAIRSONNALITÉS

Bronnen, noten en/of referenties:
  • Adviescommissie Drugsbeleid olv van de Donk (2009). Geen deuren maar daden,
    Nieuwe accenten in het Nederlands drugsbeleid, Den Haag
  • Trimbos/WODC: Evaluatie van het Nederlandse drugsbeleid
  • RIVM CAM (2008). Coördinatiepunt Assessment en Monitoring nieuwe drugs.
    Risicoschatting cannabis 2008, Bilthoven
  • Martijn Boerm ans, 2010. An Economic Perspective on the Legalisation Debate:
    The Dutch Case, Amsterdam Law Forum 2





© 2010-2013 - PAIRSonnalités Organization || Doing something against exclusion